Koningenteelt

Tijdens een imkercafeavond werd het onderwerp Koninginnenteelt besproken. Net als zoveel imkers zijn hier heel veel mogelijkheden om nieuwe, gezonde moertjes op te kweken. Voor de grootverbruiker, maar ook voor de imker met twee of vier kasten. Een van onze imkers heeft hier zijn ervaringen al eens op schrift gesteld in een infogids van onze afdeling Ruinen. En die willen wij als vereniging graag met u delen.

ERVARINGEN VAN EEN KONINGINNENTELER door Koop Kreulen

Inleiding

Met dit stukje wil ik verslag doen van mijn ervaringen als koninginnenteler in het afgelopen seizoen.

Ik imker sinds eind zestiger jaren. Naar aanleiding van een inleiding van Harry Töben met als onderwerp Carnica’s,  gehouden  op vrijdag 21 februari 2003 voor onze vereniging, was ik ‘om’. Nog datzelfde jaar heb ik mijn stal omgebouwd van de inlandse zwarte naar de zachtaardige Sloveense bij. Nu probeer ik al  enkele jaren  het vak  van koninginnenteler onder de knie te krijgen, hetgeen met ups en downs gepaard gaat. Het voordeel van koninginnen telen is dat je de productie van je bijenstand kan doen stijgen. Met een reserve aan jonge moeren kun je oude of darrenbroedige of door ziekte minderwaardige exemplaren onmiddellijk vervangen. Dat is winst, vergeleken met de Aalster methode. De eierleg wordt slechts twee dagen onderbroken.

Voorkoming inteelt

Teneinde inteelt te voorkomen vervangt men op het bevruchtingsstation voor Carnica’s te Lemmer om de zoveel jaar koninginnen.

Op donderdag 3 mei 2007 vertrok Harry Töben, beheerder van het bevruchtingstation voor Carnica’s te Lemmer, naar Slovenië om van de bekende koninginnenteler Ladislav Vozelj koninginnen te kopen. Op zondag 6 mei kwam hij terug met 55 moeren van het jaar 2006, wit gemerkt en van een nummer voorzien. Van Töben heb ik koninginnen overgenomen en op maandag 7 mei in mijn hoofdvolken de leggende koninginnen vervangen door die van Vozelj. Het is altijd een waagstuk om een leggende moer tussen 1 mei en 1 september te vervangen, maar als je het op de juiste wijze doet, gaat het goed. En bij mij ging het heel goed. De  oude koningin werd opgezocht en opgesloten in een kooitje. Het kooitje werd in de bovenbak geplaatst tussen twee ramen. De bijen konden haar voeren. Hier bleef de moer een dag zitten. De volgende dag haalde ik de moer eruit en de oude koningin kwam niet tussen duim en wijsvinger, maar werd voor de zekerheid in een van tevoren klaargemaakte drieramer ingevoerd. Je weet maar nooit. Vervolgens kwam de nieuwe moer in hetzelfde moerhuisje waar de oude was uitgekomen. De bijen gingen de nieuwe koningin voeren en in het volk kwam nu de geur van de nieuwe koningin. Omdat er steeds de geur van een koningin was, werden er geen doppen opgetrokken. Na een dag opgesloten te hebben gezeten, heb ik de nieuwe koningin bevrijd. De kurk ging uit het moerhuisje en daarvoor kwam een stukje krantenpapier strak gezet met behulp van een elastiekje. In het papier werden enkele gaten geprikt en daar wat honing opgesmeerd. Alles kwam weer exact op dezelfde plek. De bijen kwamen op de honing af en bevrijdden de nieuwe moer. Daar ging ze om direct aan de leg te gaan. Het eierleggen werd slechts twee dagen onderbroken!  Van deze moeren ben ik gaan natelen.
De nateelt kwam wat laat op gang omdat Töben ook op maandag 7 mei zijn oude koninginnen had vervangen en op zijn bevruchtingsstation pas eind  juni over geslachtsrijpe darren kon beschikken. Een kolfje naar de hand van Harry Töben,  want hij is voorstander van bevruchting na de langste dag. Volgens hem zijn de darren dan volgroeider en rijper en worden de moeren beter bevrucht. De ervaring heeft hem geleerd dat koninginnen die in begin mei werden bevrucht doorgaans niet goed waren bevrucht. Een stille moerwisseling in de maanden september/oktober was vaak het gevolg. Nu weet ik ook wel dat er vaker een stille moerwisseling plaatsvindt dan menig imker in de gaten heeft, maar zo laat kan het volgens mij ook wel eens wat lastig zijn..

De starter

Op woensdag 20 juni ben ik gestart met de teelt. Die dag heb ik  in een van te voren geselecteerd  sterk volk de moer onder het rooster in de onderbak geplaatst en al het open broed met aan weerszijden enkele stuifmeelramen in de bovenbak gezet. Die nacht trokken de jonge voedsterbijen die veel larven kunnen verzorgen naar het open broed boven het rooster. Deze voedsterbijen konden nu veel stuifmeel eten waardoor hun voedersapklieren optimaal gingen werken. Op donderdag 21 juni 2007 was het tijd om de  starter gereed te maken. Ik gebruik als starter een drieraams kastje met een teeltplateau.

Het kastje werd gevuld met een raam opengekrabd voer, een raam met veel stuifmeel, en een honingraampje met water in het midden. Het raam met voer en het raam met stuifmeel heb ik uit een ander volk gehaald. Hierna heb ik de ramen met open broed en de daarop zittende jonge bijen even op een omgekeerd deksel gezet, om de vliegbijen de gelegenheid te geven terug te vliegen. Om geen bijen te kwetsen, kun je het beste met behulp van een trechter de bijen in het kastje vegen. Afslaan geeft een kliederboel. Er mogen absoluut geen eitjes en larfjes in de starter vallen. Als de starter genoeg bijen heeft, ongeveer 4 raampjes, kan het honingraampje met water voorzichtig in het midden geplaatst worden, het zakt vanzelf onderuit. Het is belangrijk om alleen jonge bijen in de starter te vegen. Die verzorgen de larfjes optimaal. Toen alles op zijn plaats zat, kon de blikken schuif erop. Het is zaak de starter op een relatieve koele plaatst te zetten, hij mag niet warm staan. De bodem van mijn kastje is voorzien van grote ventilatieopeningen met gaas. Er zaten zo’n 600 gram jonge bijen in het kastje en die gingen zich de komende uren flink moerloos voelen. Je kon de starter horen brommen, huilen is misschien een beter woord. Het voordeel van een starter is dat je geen volk moerloos hoeft te maken! En moerloosheid op de bijenstand is maar niks.

Overlarven

De meeste kans om over topmoeren te kunnen beschikken is door overlarven. Je moet larfjes nemen die één tot anderhalve oud zijn en ruim in het voedersap liggen, in de ”royal jelly”. De leeftijd is te herkennen aan de grootte en de vorm van de larfjes. Als het larfje al rond ligt in de cel is het al te oud, het moet een open “U” zijn. Je neemt een raam met open broed uit het teeltvolk (de moer waarvan je wilt natelen) en het overlarven kon een aanvang nemen. Na 4 uur was de starter wel goed moerloos. Dit allemaal nog op donderdag 21 juni 2007.

Je zoekt een klein larfje uit en deze kan vervolgens met behulp van een overlarfnaald uit zijn celletje gehengeld worden en voorzichtig op de bodem van een dopje worden afgestreken. Je mag niet beven of trillen, want je moet de wand van het dopje niet raken. De bijen zullen de wand dan schoonlikken en in hun ijver gaan doorlikken en het larfje opeten. De larfjes moeten midden op de bodem liggen. Vroeger werden deze dopjes van was gemaakt, maar ik gebruik kunststofdopjes van het NICOT-systeem. Erg handig. Het is belangrijk om de starter niet teveel larfjes aan te bieden. Toch kan een drieraamsstarter een behoorlijk aantal larfjes verzorgen, onder voorbehoud van voldoende voer, stuifmeel en water. Maar ik heb me maar beperkt tot 2 latten van 10 doppen. Het aantal beschikbare bevruchtingskastjes was hierbij bepalend.

Toen alle 20 doppen waren voorzien van een larfje heb ik de twee teeltlatten omgedraaid en in het teeltplateau gedaan. De larfjes kleven door het voedersap op de bodem en vielen er niet uit. Nu kon de blikken schuif tussen de bijen en de larfjes verwijderd worden. Meteen ging het huilend gebrom van de starter over in een rustig en tevreden gezoem. Een magnifiek moment! Het deksel ging op de starter en moest nu 24 uur staan. Misschien was 30 uur wel beter.

Onderdelen NICOT systeem
Het pleegvolk

De volgende dag, vrijdag 22 juni 2007, 24 uur later,  konden de aangenomen doppen in het pleegvolk worden gehangen. Een pleegvolk is een volk dat de doppen verder verzorgt en sluit. Dat hoeft niet perse het volk te zijn , waarvan jonge bijen zijn afge-nomen, maar nu koos ik wel voor datzelfde volk. De starter werd opengemaakt en de jonge bijen weer teruggegeven. De twee teeltlatten werden in een leeg broedraam gemonteerd en in het midden van het volk gehangen tussen het open broed en de jonge voedsterbijen. De moer was en bleef onder het rooster. Bij het monteren van een teeltlat in het broedraam viel per ongeluk een teeltlat op mijn hand waarbij acht aangenomen doppen werden beschadigd. Voor hen was het over en uit. Toen waren er nog maar twaalf over. Jammer, helaas. Het pleegvolk maakte er twaalf mooie gesloten doppen van. Op dinsdag 26 juni waren alle doppen dicht en werden omhuld met een NICOT-opsluitkooitje. Je kunt nu twee dingen doen: de moeren in het pleegvolk laten uitlopen of overhangen in een broedstoof. Ik deed het laatste.

De broedstoof

Op het internet kwam ik Jan Tempelman uit Culemborg (Kuilenburg) tegen en die stuurde mij een printplaatje met wat soldeerwerk erop voor een broedstoof. Daar stond een prestatie tegenover. Van blauw styropor heb ik een broedstoof in elkaar geprutst en mijn broer Geert heeft de technische kant afgemaakt. De temperatuur in de broedstoof dient 35 graden Celsius te zijn.  Met  vier lampen in serie geschakeld wordt dit met behulp van een voeler bereikt en ook gehouden. De inwendige vochtigheid schommelt tussen 50 en 60%. Met een bakje water is dat te regelen. Er zijn telers die tot 70% vochtigheid gaan. Als je twee telers ontmoet, heb je twee verschillende meningen. Hoe het ook zij, op zondag 1 juli liep er één moer uit (zeker een te oude larve genomen) en op maandag 2 juli 2007  werden de overige moeren geboren! Wel wat vroeg want het mooiste is dat de moeren uitlopen de twaalfde dag na het overlarven. Het kan aan de temperatuur in de broedstoof gelegen hebben. Het thermometertje in de stoof was een niet geijkt dingetje. Goedkoop natuurlijk. De moeren waren er niet minder om.

Bevruchtingskastjes Apidea

Alvorens de moeren uitlopen dienen de bevruchtingskastjes klaar te staan met jonge bijen en vooral geen enkele dar. Omdat te bereiken moesten op donderdag 28 juni 2007 de volgende handelingen worden verricht. Ten eerste werden van enkele sterke volken de moeren onder het rooster geplaatst en open broed naar boven gebracht. De  jonge bijen trekken dan naar het broed. De volgende dag werden de ramen met open broed even op een omgekeerd gezet deksel gezet. Een poosje zo laten staan om de vliegbijen gelegenheid te geven terug te vliegen naar de kast. Vervolgens werden de bijen afgeveegd in twee emmers die in elkaar passen, waarvan bij de bovenste emmer de bodem is vervangen door een moerrooster, die dan als darrenrooster fungeert.

De jonge bijen worden dan door het rooster geschud en zo nu en dan met een plantenspuit ietsje nat gespoten. Dan kunnen de apideakastjes worden gevuld. Ieder kastje krijgt een plastic koffiebekertje goed vol met gezeefde bijen. Voordien zijn de voerbakjes in de kastjes gevuld met apifonda suikerdeeg, waarop ze wel anderhalve maand kunnen leven. De kastjes kwamen zo lang in de kelder en kregen om de dag even een spritsje water met de plantenspuit door de ventilatieopening. Zo hadden ze enkele dagen de tijd om een eenheid te vormen. De uitgelopen moeren werden, nadat ze geboren waren, even in lauw water ondergedompeld en door het gaatje in het plastic dekplaatje bij de jonge bijen gevoegd. De bijen begonnen haar direct droog te likken waarna ze werd aangenomen. De kastjes gingen voor een nacht weer in de kelder. Nu moesten de meisjes nog naar de jongens worden gebracht. Op dinsdag 3 juli ‘s avonds ben ik naar Lemmer gereden, waar Harry Töben al pijp rokend mij  opwachtte op zijn bevruchtingsstation. De kastjes bleven daar 14 dagen staan om de darren hun werk te laten doen.

Doordat er veel jonge bijen van de volken worden afgenomen, stelt het volk het zwermen uit. Dat is middenin de zomer niet erg. Het nectar verzamelen lijdt er nauwelijks onder omdat de vliegbijen terug komen.

Als de moeren uit de apideakastjes zijn gehaald, kunnen de bijen aan een willekeurig volk worden gegeven: moerloze jonge bijen worden altijd aangenomen.

Bewaarmoeren

Nu op het einde van het seizoen heb ik nog twee apideakastjes over met bevruchte moeren Wat moet je ermee? Weggeven? Verkopen? Nee, overwinteren van de jonge koninginnen in een aangepast apideakastje! In deze kastjes zitten normaal 3 raampjes en een voerbakje voor de apifonda. Het voerbakje kan eruit en daarvoor in de plaats kunnen 2 raampjes. Belangrijk is dat de koningin na de langste dag is geboren en bevrucht. Nu is het mooie van deze kastjes dat er een hoogsel bij te verkrijgen is waarin ook ruimte is voor 5 raampjes. Daarboven op past weer een voerbakje voor suikerwater. De raampjes moeten voorzien worden van een reepje voorbouw.De twee volkjes zitten nu ieder op tien raampjes die al helemaal zijn uitgebouwd. Ze zitten vol met bijen. Ik blijf de kastjes doorvoeren tot aan het verzadigingspunt. Het is de bedoeling dat zodra de vorst invalt het vlieggaatje dicht gaat en de ventilatie wijd open. Ze komen dan in de kelder te staan naast mijn voorraadje bier bij een constante temperatuur van ongeveer 8 graden. Hier blijven ze dan de hele winter, het bier niet.

Zo’n koningin kan, als ze tenminste goed door de winter komt, in het voorjaar ingevoerd worden in een overwinterd hoofdvolk. Het hoofdvolk dat een jonge overwinterde koningin heeft gekregen zal alleen dat eerste jaar niet gaan zwermen! De theorie is dat de koningin in zo’n klein apideakastje weinig koninginnenstof hoeft te genereren. Dit begint pas goed op gang te komen als ze in een hoofdvolk is gezet. Het volk meent dat ze een pasgeboren koningin heeft gekregen. En een volk met een jonge koningin zwermt niet, mits er voldoende ruimte gegeven wordt om te leggen.

Ideaal om met dergelijke volken naar het koolzaad te reizen!